Column ‘Rechtsfilosofie als “humane philosophy”‘ – door Robbert-Jan Winters

by admin on april 2, 2015

Robbert-Jan Winters is docent aan de rechtenfaculteit van de Universiteit Leiden en studeert daarnaast filosofie.

Michael Oakeshotts On Human Conduct (OHC) is misschien wel het belangrijkste rechtsfilosofische boek dat in de afgelopen eeuw is verschenen. Het is een perfect voorbeeld van wat we – in navolging van John Cottingham – ‘humane philosophy’ zouden kunnen noemen: het presenteren van een synoptische visie op het menselijk leven en de plaats van het recht daarin. Toch zijn er maar weinig mensen die het hebben gelezen. Het doel van deze column is om daar verandering in te brengen.

De kern van OHC wordt gevormd door een conceptuele analyse van het begrip rechtsstaat. Kenmerkend voor Oakeshotts benadering is echter dat hij zich eerst afvraagt hoe we überhaupt over het recht na moeten denken. Hij stelt vast dat recht een menselijke praktijk is, net zoals de moraal, de politiek en de wetenschap: de rechtspraktijk is een species van het genus menselijk handelen. Hoe kunnen we dat onderzoeken?

Die vraag roept problemen op, aangezien we kennis doorgaans verwerven door het doen van (natuur)wetenschappelijk onderzoek. Wanneer we echter een menselijke praktijk wetenschappelijk bestuderen levert dat maar hele beperkte resultaten op. Oakeshott geeft het volgende voorbeeld:

“When a geneticist tells us that ‘all social behaviour and historical events are the inescapable consequences of the genetic individuality of the persons concerned’ we have no difficulty in recognizing this theorem as a brilliant illumination of the writings of Aristotle, the fall of Constantinople, the deliberations of the House of Commons on Home Rule for Ireland and the death of Barbarossa; but this brilliance is, perhaps, somewhat dimmed when it becomes clear that he can have nothing more revealing to say about his science of genetics than that it also is all done by genes, and that this theorem is itself his genes speaking”.

We kunnen onze kennis dus nooit tot de resultaten van de wetenschap reduceren. Er bestaat een categorisch onderscheid tussen het bestuderen van brute feiten – fenomenen zonder intelligentie, zoals een rotsformatie – en het bestuderen van sociale feiten – fenomenen, zoals praktijken, procedures en instituties, die het product van intelligentie zijn. Om menselijke praktijken te kunnen begrijpen zal, in tegenstelling tot in de wetenschap, een intern perspectief moeten worden ingenomen. De menselijke wereld is door en door betekenisvol en betekenis kan door niemand van buitenaf worden waargenomen. Ieder mens  is immers zelf onderdeel van die externe wereld.

Dat interne perspectief kan in twee delen worden opgesplitst: enerzijds in het praktische perspectief van de deelnemer aan een sociale praktijk, anderzijds in het perspectief van de onderzoeker die de praktijk probeert te begrijpen. Wat het recht betreft is een praktisch perspectief bijvoorbeeld het perspectief van de rechter. Een rechter houdt zich bezig met het beantwoorden van rechtsvragen en is daarom beroepshalve geïnteresseerd in het juiste gebruik van allerlei juridische begrippen. Het gebruik van die juridische begrippen veronderstelt echter het bestaan van veel andere begrippen. Ten eerste het begrip menselijk handelen, maar daarnaast ook bijvoorbeeld de begrippen gezag, staat en regel. Vanuit het praktische perspectief bezien is het niet zo zinvol om die begrippen steeds te problematiseren. Op die manier zou er nooit recht gesproken worden. Daarom neemt een rechter ze simpelweg aan.

Om tot een volledig begrip van de rechtspraktijk te komen is het echter nodig om die aannames ook in het rechtsbegrip te verdisconteren. Wanneer we die aannames tot voorwerp van onderzoek maken, abstraheren we van het praktische perspectief. Stond de rechter nog onderaan de trap naar de hemel, middenin de dagelijkse werkelijkheid, de onderzoeker is een trede gestegen. Het kan als onderzoeker heel nuttig zijn om die trede volledig te verkennen en in kaart te brengen, maar het begrip dat daar kan worden verkregen is ex hypothesi voorwaardelijk, omdat die trede ook weer op een aantal aannames berust. Elke trede van de trap is een gevangenis waar de onderzoeker niet uit kan ontsnappen, tenzij hij de aannames waar de trede op berust problematiseert. Een onderzoeker die dat consequent doet, die volhardt in zijn scepsis, noemen we een filosoof.

Echter, de filosoof bereikt door zijn scepsis slechts de volgende traptrede, die ook weer op bepaalde aannames berust. Filosoferen mag dan een onvoorwaardelijke activiteit zijn, de ‘resultaten’ die een filosoof boekt blijven altijd voorwaardelijk, omdat hij op een bepaalde traptrede moet stoppen om daadwerkelijk iets te kunnen rapporteren.

Dat onze kennis altijd voorwaardelijk is en dat het een illusie is om te denken dat we ooit tot een volledig begrip van de werkelijkheid kunnen komen – dat we ooit een laatste traptrede kunnen bereiken waarop het denken met de werkelijkheid samenvalt, zoals in Hegels idee van het absolute – ontslaat de onderzoeker er niet van om een poging te wagen. Sterker nog, hij kan niet anders. Een onderzoek is per definitie een poging om te begrijpen en begrip impliceert het beste begrip. Je kan niet proberen om iets slecht of minder goed te begrijpen. Het idee van het absolute functioneert als een soort regulatief idee voor al ons onderzoek.

Oakeshott heeft de trap verder dan wie dan ook omhoog gevolgd. Wanneer hij uiteindelijk stopt om ons over de resultaten van zijn onderzoek naar de rechtsstaat te berichten ontdekt hij dat een staat een ambigue constellatie is: een synthese van twee ideaaltypen. In het tweede essay van OHC probeert hij het staatsbegrip te ontleden – te analyseren – zodat hij daarna deze twee ideaaltypen kan componeren. Vervolgens plaats hij ze terug in de context van de geschiedenis van de moderne wereld. Dat levert het volgende beeld van de rechtsstaat op:

“In the circumstances of modern Europe these two ideal characterizations of a state and the office of its government have become two well-trodden paths, upon which many minds have gone up and down, leading to a destination, a theoretical understanding more or less exactly specified: the one (signposted societas civilis: imperium) to a formal condition, and the other (marked universitas: dominium) to a substantive condition. (…) These dispositions of thought are not merely directions of theoretical inquiry; they are diverse recognitions of the character of a state and of the office of its government which together compose the political consciousness of modern Europe. (…) These analogies [are] reflections of self-understandings, each a historic response to the ordeal of consciousness, which have emerged among the associates who compose the still-puzzling associations called modern European states and have settled themselves there in ever changing proportions”.

Het kenmerk van ‘humane philosophy’ is volgens Cottingham dat het een ‘synoptic vision’ presenteert: “a vision of the nature of the world, of the place of humankind within it, of the extent and limits of human knowledge, and of the best way for human beings to live”. Alle grote filosofen hadden zo’n visie, maar in de loop van de afgelopen eeuw heeft het idee postgevat dat filosofen zich alleen nog maar met analyse dienen bezig te houden. Het idee dat een begrip nadat het uit elkaar is gehaald ook weer in elkaar moet worden gezet lijken we te zijn vergeten. Of we geloven niet meer in de mogelijkheid van zo’n synthese. We denken dat het tijdperk van de Grote Verhalen voorbij is. Het gevolg is enerzijds dat de filosofie zich steeds meer heeft laten aanpraten dat het slechts de dienstmaagd van de wetenschap is, zoals het ooit slechts de dienstmaagd van de theologie was en anderzijds dat het zich nooit aan het praktische perspectief van, bijvoorbeeld, een jurist kan onttrekken. Mijn stelling is dat het ‘einde van de Grote Verhalen’ zelf een groot verhaal is en dat de filosofie zich moet verzetten tegen wetenschappelijk reductionisme (sciëntisme), praktisch reductionisme (pragmatisme) en alle andere vormen van reductionisme. Filosofie is een zelfstandige discipline die zich bezighoudt met wat Bernard Williams “making sense of ourselves and our activities” heeft genoemd. Michael Oakeshott laat in OHC zien wat zo’n synoptische benadering van het recht op kan leveren en iedereen die geïnteresseerd is in het begrijpen van de rechtsstaat is het aan zichzelf verplicht om het te lezen.

Leave a Comment

Previous post:

Next post: